Kapitein zoekt zeesterretje

Het schijnt dat ik de laatste tijd nogal snel ga en overmoedig ben. Door een onverklaarbare reden spring ik tegenwoordig sneller in de diepte dan een base jumper met ADHD van een piano krukje. Ben ik normaal gesproken zo subtiel als een Amerikaans spionage vliegtuig, nu heeft mijn beschonken zelf mij ervan overtuigd dat ook de dames die echt leuk zijn als een blok vallen als er tweemaal: “ga je mee naar huis?” van mijn dubbele tong rolt.


Die overmoed komt waarschijnlijk door de afgelopen zomer. Na een hele lange en verschrikkelijk fijne relatie –waarin zoveel tranen vloeiden dat het tijd werd om toch maar al dat water naar de zee te dragen en zo te voorkomen dat die hele flevo polder weer veranderde in een grote modderpoel– was de nieuwe oude ik er helemaal klaar voor. Er kwam een alter ego dat zich profileerde als een echte rokkenjager en de jacht was geopend! Inmiddels is de mooiste zomer sinds 1990 al lang naar het zuiden vertrokken en hebben de hitsige dames in schaarse kleding plaats gemaakt voor kille ijskoninginnen wier hart ik maar niet kan doen smelten.

Na wat geflirt op de lange afstand zie ik de oogjes hoopvol oplichten als ik als een stoomboot door een zee van mensen cruise, om mezelf vervolgens vol overtuiging tegen een ijsberg te parkeren zodra de eerste woorden richting haar oor vertrekken. In tegenstelling tot de Titanic ga ik wel roemloos ten onder. Ik hoef haar nummer ook niet meer te vragen want die haven zijn we al lang gepasseerd.

Niet zo lang geleden nog strandde mijn versier poging wederom als Robinson Crusoe op het eiland van Vrijdag. Ik besloot, na wat voor mij een eeuwigheid leek, toch een gokje te wagen en vroeg: “Zullen we anders even zoenen?” In de eerste trein terug naar huis informeert de horoscoop mij dat ik beter niet naar het casino kan gaan, maar come on! wat had ik daar nu nog aan? Ik had die horoscoop verdomme zelf kunnen schrijven nu ik empirisch had vastgesteld dat het niet mijn geluksdag was. De dame in kwestie antwoordde overigens met een heel ontwapend antwoord: “Zoenen? Maar je kent me niet eens!” Ik kwam nog terug met een gevatte: “Nou ik ben een leuke jongen en jij bent een knappe meid, wat zou ik nog meer moeten weten..” maar het schip was natuurlijk al lang en breed vertrokken.

Nu is het niet zo dat ik als een Laura Dekker die stiekem toch doet wat haar door Neerlands’ aller hoogste instanties is verboden eenzaam en verloren over zee dwaal, ik bedoel; er zijn best hier en daar nog haventjes met vrolijke lichtjes waar ik af en toe mag aanmeren. Maar die haventjes lijken nog het meest op kamp in de eerste klas. Het is er enorm spannend, er zijn leuke mensen en je hebt het er drie dagen enorm naar je zin, maar eerlijk is eerlijk: uitgeput thuis op de bank ploffen is ook heel fijn.

Dus hijs ik wederom de zeilen en waai ik met alle winden mee, over een oceaan die volgens een goede vriend vol zit met allerlei leuke visjes, net zo lang tot ik mijn eigen Moby Dik vind. Misschien is het handig als ik haar dan niet zo noem, dikke kans dat ik dan weer achter het net vis.

Geplaatst door de Witte Waas